ILC – kader

Kader waarin gewerkt wordt.Het komen tot praktische afspraken is noodzakelijk. Daarom tekenen we een praktisch kader waarbinnen gewerkt wordt.

leerkrachten

Leerkrachten worden best aangemoedigd om eerst in overleg te gaan met elkaar over de competenties voor ze er mee aan de slag gaan in projecten met leerlingen. Misschien kan het gesprek centraler gebeuren (scholengemeenschap?) voor leerkrachten die minder uren in een school komen en leraren die in eigen school een minder ruime variatie aan levensbeschouwingen hebben en daardoor minder kansen om deel te nemen aan het gesprek. Leerkrachten moeten deze competenties eerst zelf in de vingers krijgen, vooraleer ze er mee aan de slag gaan met leerlingen. Als ze niet zelf in dialoog gaan en samen werken, dan is het onmogelijk om dit op leerlingen over te brengen.

 beginsituatie

Uiteraard nemen we de beginsituatie als uitgangspunt. We respecteren het tempo van leerlingen en van scholen. Niet alle scholen/leraren hebben een traditie van ‘samen werken’. Sommige leraren hebben een té verspreid uurrooster om veel tijd in projecten te kunnen investeren. Implementatie moet geleidelijk gebeuren. Leraren/scholen moeten aantonen dat ze er aan werken. Inspectie-begeleiding zal moeten opvolgen en ondersteunen waar nodig met het aangegeven kader in het achterhoofd. Sommige scholen/leraren zullen meer opvolging en ondersteuning nodig hebben.

Uiteraard is ook het tempo van de leerlingen belangrijk. Sommigen hebben het  gemakkelijker om te luisteren naar andere meningen en om hun eigen mening te verwoorden dan anderen. Zij worden aangemoedigd om verdere stappen te zetten.

 gradueel werken

Bij voorkeur niet starten met projecten over delicate of explosieve onderwerpen maar vanuit gemeenschappelijke en algemeen menselijke thema’s zoals feesten, gevoelens, verdriet, vreugde, rouw, lijden liefde,… Vertrekken vanuit thema’s waar we bruggen kunnen bouwen en niet vanuit wat niet te overbruggen is. We houden best rekening met het generatieverschil tussen leerlingen en leraren. Sommige jonge mensen/kinderen zien in bepaalde zaken geen probleem waarmee oudere generaties wel problemen kunnen hebben. Sommige jongeren gaan vanzelfsprekender om met verscheidenheid omdat ze opgroeien in een maatschappij die diverser en verscheidener is dan vroeger.

Ook methodologisch en qua werkvormen is het belangrijk om gradueel te werken. Dialoog houdt in: informatie uitwisselen en elkaar beluisteren, info bevragen zonder discussie, in gesprek gaan,…. Het komen tot een diepgaand gesprek is het streefdoel.

Er moet uiteraard rekening gehouden worden met de ontwikkelingspsychologische mogelijkheden van de leeftijdsgroepen.

frequentie

Een praktische afspraak over de frequentie is belangrijk om extremen te vermijden (zij die er niet aan werken of zij die de hele tijd samen willen werken of zij die door directies allerhande projecten in de schoot geworpen krijgen). Het kan vormelijk door de frequentie aan te geven… We starten bij de implementatie van de competenties met minstens 1 gezamenlijk project en een tijdsinvestering in de loop van het schooljaar van maximaal 6 lestijden in gezamenlijk(e) project(en). Wordt er meer aan gewerkt, dan vraagt dit een motivering waarbij wordt aangetoond dat de doelen van het eigen leerplan ook voldoende gerealiseerd worden. Je kunt dit ook per graad opnemen. Het aantal lestijden en het aantal projecten zal in het lager en het secundair onderwijs anders worden ingevuld. Deze voorgestelde frequentie wordt later geëvalueerd en indien nodig aangepast. Het is belangrijk om aan te geven dat over het volledige curriculum bij deze werkwijze heel wat tijd aan dialoog en samenwerking worden besteed.

 projecten en eigen vak

De spanning tussen ‘project’ en ‘eigen vak’. Er zijn projecten denkbaar waarbij de gemeenschappelijke aanzet in het eigen vak verder wordt verwerkt. Binnen de onderscheiden LBV wordt nl. ook aandacht aan de competenties besteed. De facto worden er dus meer lestijden besteed aan de competenties dan aan de ‘opgelegde’ in de projecten. De kwaliteit van het project blijft belangrijker dan de kwantiteit. Interlevensbeschouwelijke competenties moeten, waar het kan een aandachtspunt zijn binnen elk leerplan LBV én in een degelijk project gerealiseerd worden dat gelijkspoort ‘naast’ het leerplan